
|
|
-11 februari Natal – Brazilië
De aankomst op de Potengi rivier is mooi. Veel groen en de stranden om ons heen, kleine vissersbootjes die langs varen. Op de rivieroevers zien we grote vogels (formaat gier, maar wat het zijn weten we niet). Boven ons vliegen een paar fregatvogels en grote roofvogels. Het is meteen een totaal andere wereld na 12 dagen ( en een beetje) op zee, met alleen Atlantic blue en zo nu en dan een zeevalk of albatros.
In Natal liggen we voor anker bij de Iachtclube de Natal. De 1e nacht is gratis en dan betalen we zo’n 6,5 euro per dag voor gebruik van alle faciliteiten. Het stroomt hard op de ankerplek (max. 3,5-4 kn), maar we liggen als een huis. Als hier je buitenboordmotor het niet doet, is het flink roeien met zo’n stroming!
|
Strand Natal |
Voormalige vissersbootjes langs de kant |
De jachtclub is luxe: er is een zwembad, een groot overkapt terras, luxe douches (heerlijk!), privé-strandje –waar Merak graag met een kokosnoot in zijn bek rond holt- en vriendelijke mensen, die alleen Portugees spreken. Dat wordt dus aanmelden in ons beste Portugees! En dat lukt. De instanties waar we ons moeten melden worden door de YC per telefoon of fax op de hoogte gebracht. ’s Middags komt de Policia Maritima langs op het terras van de YC en vullen we documenten in en krijgen onze ‘entry-stamp’ voor 30 dagen (met optie voor meer). De politiebeambte biedt aan Paula naar de stad te rijden, waar de douane en de gezondheidsdienst zijn. En in deze hitte, waar we nog niet aan gewend zijn, is dat erg prettig. Alweer alles in ’t Portugees: bij de gezondheidsdienst is het invullen van de verklaring een wassen neus. ”Vul maar nee in op alle vragen en onderteken de verklaring“. Nou, dat is snel gedaan dus. Bij de douane tonen we onze bootpapieren, die minutieus worden overgeschreven en krijgen we een document voor de volgende haven.
Dan nog 1,5 km te voet naar de ‘Capitania’ en daar aangekomen zijn ze helaas gesloten; dat doen we dan een andere keer maar. Die andere keer wordt 4 dagen later, maar dat maakt niet uit. Gijs wacht met Merak in de schaduw buiten en Paula gaat naar binnen voor de formaliteiten. En in Spaans-Portugees heen en weer gepraat wordt duidelijk dat Paula de kapitein niet kan zijn. Dat moet een man zijn, waar is de kapitein? Tsja……. Maar goed, ’s lands wijs ’s lands eer zullen we maar zeggen en Paula wijst naar buiten naar : capitan y gachao. ”Jeetje, waar komt die ”gachao“ dan vandaan?“ Uit Holland. Medewerkers worden erbij geroepen en allemaal staren ze naar Gijs en Merak. De formulieren worden ingevuld en Paula laat ze tekenen door Gijs. Alles in orde en wij kunnen verder richting stad.
Het is warm in Brazilië en de zon brandt fel. Het is erg wennen. We denken dat we na al die maanden niet meer verbranden, maar we moeten ons goed insmeren! Om de zon een beetje tegen te houden, spannen we een zeil over de giek van de achtermast om de achterhut uit de zon te houden en spannen nog een klein zeiltje onder de giek van de hoofdmast.
We staan vroeg op en moeten voor 12 uur actief zijn, want anders is het te heet. Na die tijd, tot zo’n 4 uur ’s middags houden we ons gedeisd in de schaduw. De eerste 10 dagen hebben we allebei last van maag- en darmproblemen. We krijgen veel advies van de andere zeilers. (Immodium, cola drinken, rijstwater drinken etcetc).
Op de ankerplek liggen nog 5 andere schepen en er komt een 6e bij.
Leuk om ieders verhaal te horen! Op het terras met een drankje wordt over en weer gevraagd en gekletst over mooie en minder mooie vaarplekken.
De Jancris met Alfredo en Nicoletta is al 12 jaar onderweg (2 x om de wereld en de laatste 6 jaar in Griekenland en Turkije geweest) en er is niet veel wat ze nog niet gezien hebben. De Carieb trekt ze niet vanwege het weer, maar toch willen ze de Grenadines nog verkennen. De Lyster II is van Daniel en Jacqueline, echte levensgenieters. Ze zijn met pensioen en nu al 6 jaar onderweg. Ze hebben de Middellandse Zee en Afrika verkend en willen een aantal jaar in Zuid-Amerika blijven. Verder ontmoeten we Melissa van de Isabel Barrato (met ingehuurde bemanning), rondje Carieb-Cuba gedaan en nu onderweg naar waar de wind haar brengt. Ook ligt er een lévrier de mer, het 14 mtr light displacement schip van Remy en Peggy. Ze varen het schip behoudend, want alles wat kapot gaat is duur, zeggen ze. Maar een snelheid van 10-14 knopen halen ze toch al gauw! Ze werken 7 maanden per jaar en de rest van het jaar varen ze. De boot wordt nu waarschijnlijk in Afrika achtergelaten.
Er ligt 1 catamaran op de ankerplek. Eigenaar is Pedro, een Spanjaard die al meer dan 30 jaar de wereld bezeilt. Hij is net 65 geworden en heeft een paar jaar geleden, zoals hij zelf zegt, deze ”ouwevandagenboot“ gekocht. Hij is solo met een monohull de wereld omgevaren, lange tijd op Poga Poga en in andere gebieden geweest en uiteindelijk alleen in de landen gebleven die hem aanstonden. Favoriet bij hem Venezuela, Colombia en Cuba. De Carieb hoeft voor hem niet, zoals hij het uitdrukt: ”daar denken ze dat ik een wandelend 100-dollar biljet ben“.
Op zaterdag is er een grote groente- en fruitmarkt in Natal waar we naar toe gaan. Heerlijke ananas, papaja’s, meloenen enz. en veel groentes die we niet kennen komen we er tegen. Proberen dan maar! Alles heeft een kiloprijs. Als je naar iets wijst of iets noemt wordt er meteen een kilo in een plastic zak gedaan. De enige moeilijkheid is dus om duidelijk te maken dat we geen kilo willen! Een kilo tomaten, een kilo chicu, broccoli, avocado’s, paprika’s enz krijgen wij niet weggegeten. Een halve kilo dan? Ze vinden het vreemd, maar het kan.
De terugweg brengt ons langs de lokale visafslag. Een visser loopt met 2 vissen over straat die hij bij de kieuwen vasthoudt. Ze zijn groot, want ze slepen over de grond. Op de toonbankjes liggen veel verschillende vissen, groot en klein. Maar het trekt ons niet er een te kopen. Het lijkt erop dat de vissen erg in trek zijn bij de vliegen.
We gaan een avondje op pad met de andere zeilers en lopen langs de boulevard richting barretjes en restaurantjes. Je hebt in Brazilië verschillende ‘eetformules’: eten per kilo (je schept een bord op en betaalt het gewicht); onbeperkt eten tegen een vaste prijs (diverse soorten biefstuk en mals vlees). We komen er ook snel achter dat de gerechten die je kunt bestellen voor meerdere personen zijn. Per tafel bestellen ze hier 1 of 2 gerechten en je krijgt er borden en bestek voor het aantal personen bij. Zo ook met het bier. Een biertje is hier een fles van 600 ml, kleiner is er niet, en de prijs varieert tussen de euro 0,80 en 1,20. Ook leren we op aanraden van onze zeilvrienden het Braziliaanse aperitief kennen: de Caiparinha en tsja…ze hebben gelijk, dat is errug lekker!
Natal is een moderne stad, veel winkelstraten en een havengebied met veel eet- en uitgaansgelegenheden. Er zijn bijna geen toeristen. We zijn een bezienswaardigheid, vooral met een hond aan de lijn. De mensen zijn erg vriendelijk, maar vragen wel of de hond niet bijt. We worden door meerdere mensen erop gewezen de camera en ons geld goed op te bergen. Dat doen we ook wel, maar zoals de eerste dagen om zonder fotocamera op pad te gaan, doen we niet meer. We willen toch wel graag foto’s maken van dit mooie land!Overdag gaan we een paar keer wat eten, om de Braziliaanse keuken te proeven. We kijken waar de Brazilianen naar toe gaan en ontdekken een restaurantje waar we voor 4,50 reais pp (euro 1,80) eten en drinken. Heerlijk! Hier horen we ook dat het carnaval in Salvador fantastisch is, beter dan in Rio volgens de Natalezen, omdat het in Salvador een straatfeest is
Naar Salvador
De Lyster, de Levrier en de Isabel Barrato gaan er ook naar toe. Wij willen de Baia os todos Santos graag zien en natuurlijk ook iets van het Braziliaanse carnaval, en vertrekken op 11 februari richting Salvador. De voorspelling is noordoost, dus dat moet een perfect tochtje worden. Uiteindelijk worden het zo’n 580 mijlen omdat we iets uit de kust gaan om wat meer wind op te pikken. Een mooie tocht, die totaal 4 dagen en 7 uur heeft geduurd. Maximaal hebben we windkracht 5 gehad en meestal niet teveel deining. Hoewel, er zat een dag bij dat alles misging: vingers en tenen bezeerd, hoofd gestoten. Pijnlijke vingers met blaren, doordat de spi-val bij het wegnemen van de spi niet meer te houden was en zijn brandspoor achterliet (tsja, vooral niet loslaten hè?, haha).
|
|
Braziliaanse spi én een Braziliaans T-shirt......
Stuurautomaat op de windvaan, werkt perfect als er weinig wind is, en we gebruiken ´m ook als we motoren. |
Prachtige sterrenhemels gezien, urenlang in de nacht een school dolfijnen langs de boot gehad, een ‘Braziliaanse tonijn’ gevangen (en lekker opgegeten), en een tijdelijke kostganger aan boord gehad. Een grote (vreemde?!) vogel, zwart met een witte kuif, die vermoeid op onze hekstoel neerstreek.Toen Merak in de nacht naar het achterdek sloop om zijn behoefte te doen en met een boog om de vogel heen liep, kwam er een golfje waardoor Merak en het schip zich bewogen: toen hield de vogel het voor gezien.
Als de kustlijn dichterbij komt zien we de grote wolkenkrabbers al op afstand. Vreemd gezicht! In de baai zetten we koers naar de Jachthaven Cenab (die er sinds een jaar is), vlak bij de oude stad. Er is nog voldoende plaats en de havenwacht reikt ons netjes vanaf de ponton een achterlijn aan. Voor het eerst sinds het vertrek vanaf de Canarische eilanden zijn we weer in een marina. Dus: stroom erop, wasje draaien, douchen!
|
Salvador is de 4e grootste stad van Brazilië. In het oude gedeelte (Pelhourino) komen we veel gebouwen tegen waaraan de Portugese en Nederlandse invloeden te zien zijn. Het is hier echt genieten en leuk om een tijdje in zo’n bruisende stad te vertoeven. Alles is al in voorbereiding voor het carnaval. De stad wordt versierd en overal worden levensgrote poppen neergezet.
’s Avonds gaan we met andere zeilers op pad en kijken en luisteren naar de muziekbandjes op straat. En net als de Brazilianen, blijven ook wij niet stilstaan. Heerlijke muziek, van samba tot rock…wat een sfeer. Vlakbij de haven wordt iedere dag door een andere groep de’Capoeira’ (een slaven-vechtdans) opgevoerd en ook daar blijven we voor staan.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Salvador heeft ook een andere kant. Het oude Pelourinho is mooi gerestaureerd, maar er omheen zijn de mooie gebouwen (die in Nederland zeker onder monumentzorg zouden vallen!) half verpauperd. Ze staan leeg, maar worden in beslag genomen door de zwervers en zwerfkinderen. We zien vaak zwerfkinderen die high zijn; van het lijmsnuiven horen we.Ze bedelen om geld. We geven geen geld, maar geven af en toe wat eten. Als we van de bakker komen een paar broodjes uit de zak of een banaan of zo. Het verschil tussen arm en rijk is hier echt groot.
We blijven zo’n 10 dagen in Salvador, en worden ondertussen herkend op straat. Hoewel we…het is meer onze Merak! Veel mensen hebben ons al gevraagd hoe hij heet, wat voor ras het is en ook vaak of het geen pitchybou is (we zijn erachter dat dat een pitbull is).
Vanaf de haven gaat er een lift zo’n 60 meter omhoog naar de oude stad. Wij moeten met Merak echter te voet, want ondanks onze pogingen mag hij niet mee in de lift. Op onze weg naar boven en naar beneden gaat er af en toe een raam of deur open: Ola Merak! wordt er geroepen. Wie ’t zijn, wij weten ’t niet, maar onze hond is al ‘beroemd’ haha. Het loopje omhoog naar de oude stad is de moeite waard: Heerlijk ‘streetfood’, dat verkocht wordt door vrouwen in prachtige klederdracht en altijd wel ergens live-muziek. Alleen worden we gewaarschuwd daar ´s avonds niet te lopen, vanwege overvallen e.d.
Ook in de goed beveiligde drukke straatjes van Pelhourinho is het niet altijd pluis. Iemand probeert de portemonnee uit Gijs zijn zak te rollen, maar hij heeft het gelukkig op tijd door. Gijs geeft een trap keihard naar achteren tegen zijn/haar schenen en draait zich om. Niemand…die staat in een zijstraatje vast even te jodelen.
Maar ja, zoals ze hier zeggen: als ze niet hebben geprobeerd je zakken te rollen, dan ben je niet in Salvador geweest!
Als dat alles is mogen we van geluk spreken, want er zijn al verschillende andere ‘yachties’ overvallen en bedreigd horen we later. De haven is goed beveiligd en…..we hebben natuurlijk onze ‘pitchybou’.
Na een paar dagen carnaval en voordat de gemoederen hier oververhit worden, houden we Salvador voor gezien. We nemen afscheid van de andere boten en vertrekken richting Ilha do Frade.
Ilha do Frade
We zeilen er naar toe en gaan voor anker tussen het eiland Bom Jesus en do Frade. Een mooie ankerplek met uitzicht op een prachtig oerwoud. Wat een rust na Salvador!
’s Ochtends komen er mensen langs met de kano die naar de waterputten op do Frade gaan. Daar doen ze de was en hangen die te drogen in de struiken. Wij nemen een kijkje met de bijboot.
De zoetwaterbron blijkt een modderpoeltje, waar behalve gewassen, ook jerrycans worden gevuld en weer worden meegenomen. Nou…we zijn ineens wel erg blij met onze tank vol met helder drinkwater.
|
Strandje Ilha do Frade |
Op weg naar de waterput |
De volgende dag maken we een wandeling over het eiland. Het blijkt een beschermd natuurpark. We hopen de apen te zien (die moeten er zijn volgens de gids – we horen ze ’s avonds in ieder geval wel!) We lopen over de paden, langs kokospalmen, een soort mangobomen en allerlei andere bomen en struiken (waarvan we er enkele als een uit de kluiten gewassen bekend kamerplantje herkennen). Het is die dag bloedheet en....geen apen. Wel grote gieren en andere mooie kleine vogeltjes. Zelfs kolibries. Ook zien we hommels, zo groot, om bang van te worden. En het stikt er van de hagedissen, waar Merak enthousiast op af rent.Als we weer terug zijn bij de dinghy nemen we een duik in het heldere water. Heerlijk! Niet echt koel, want het water is zo’n 35 graden, maar toch echt heerlijk,
Met de dinghy maken we de volgende dag een tochtje van een uur langs kleine eilandjes en we varen om het eiland Bom Jesus. Aan het begin van de middag leggen we er ergens aan en lopen het plaatsje in. Geen bestrate wegen, geen auto’s, spelende kinderen en iedereen die je gedag zegt. Er hangt een heerlijk sfeertje, tranquillo….
We gaan op zoek een een supermarktje voor limonade en een paar blikjes bier. Nee bier is er niet, maar iemand neemt ons mee naar een andere zaak, waar het wel wordt verkocht. Zo komen we op een binnenplein, waar een bar is (geen winkel) en voor we wat kunnen vragen, worden we uitgenodigd bij een stel aan tafel om een biertje te drinken. Zij komen uit Salvador en zijn het lawaai ontvlucht en verblijven een paar dagen op Bom Jesus. Erg grappig, want wij spreken weinig Portugees, dus dat wordt een ingewikkeld gesprek! Er zit een vriend van het stel bij (een oudere visser), die een bepaald dialect spreekt wat we echt niet kunnen volgen. Maar daar weet hij een oplossing voor! Hij praat steeds harder. Tsja, …echt helpen doet het niet, haha. Maar Matteus (uit Salvador) weet het in normaal Portugees uit te leggen. Ook horen we hoe we de Mouqueca (een Brazilaans visgerecht) het beste kunnen maken.
Na een paar gezellig uurtjes gaan we weer op weg naar de dinghy. Wind tegen, dus komen we drijfnat aan op de boot. Lekker om even af te koelen, zullen we maar zeggen!
Rio Paraguacu
Na een paar dagen zeilen we voor de wind de rivier op. Prachtig! Rotsen, mangroven en oerwoud en alleen vissers in kano’s of Faleiro’s (traditionele houten vissersschepen, die goederen transporteren).We ankeren er op verschillende echt fantastische plekken en genieten van de mooie natuur om ons heen. ´s Ochtends komt er een keer een vissersbootje aangetuft, we horen de 1-cylinder diesel. Hé Gijs, hij vaart recht op onze boeg af!, zegt Paula. Het motortje tuft niet meer en de visser houdt zich vast aan het waterstag, duwt z´n boot richting kuip en we begrijpen dat ´ie zonder diesel zit. Hij kon nog net onze boot halen! Hij wil mango´s ruilen tegen diesel. Prima idee. Wij geven hem een liter diesel, maar dat vindt ´ie teveel. Een halve liter wordt het. Nu nog met ons mes zijn diesel leiding inkorten, het slangetje past niet meer en we krijgen een zak vol mango´s. Dat vinden we ook wel erg veel, dus geven we hem er een aantal terug. We zwaaien hem uit en gaan zitten om een paar mango´s te proeven. In de gids lezen we dat Marigojipe de moeite waard is Een oude plaats aan de rivier, waar eens per week een groente- en fruitmarkt is, waar iedereen op af komt.
Wij gaan er naar toe en gooien het anker in de buurt van de pier uit. Wederom geen enkel ander jacht! Het plaatsje is leuk, veel huizen met Portugese en Nederlandse geveltjes. Vriendelijke mensen, en.. weer veel bekijks met onze pitchy bou (Merak dus). Wij bestellen wat te drinken, maar eerst komt er een grote emmer water voor onze hond! We blijven er een aantal dagen, want de markt is op zaterdag. Ondertussen is ‘het bekend’ dat wij er zijn. Dus als we op (inmiddels ons) terrasje zitten, komen er mensen langs om een praatje te maken. Wat we van Brazilië vinden, of de hond echt helemaal uit Nederland komt! En erg grappig vinden ze toch wel dat het in Nederland onder nul graden kan zijn. We krijgen van iemand vers gegrilde beenham om te proeven en iedereen schenkt je glas bij. Heel anders dan in Salvador, waar er toch aan alle kanten aan je getrokken wordt om maar geld te geven of om wat te kopen.
De volgende dag gaan we naar de groente- en fruitmarkt en kopen heerlijke verse dingen. De zeltjes en de wagentjes staan er geparkeerd en het is leuk naar alle mensen te kijken. We zien er met indiaanse en negroide trekken, Portugese gezichten en zelfs blonde mensen. Gezellig geroezemoes en een leuke sfeer. Iedereen neemt een kruier om de spullen naar huis te brengen, dus doen wij dat ook maar. Een jochie brengt al onze spullen in een kruiwagen naar de kade en we geven hem een paar reais.
Na een paar dagen varen we weg verder de rivier op naar Sao Francisco. We liggen er voor anker met uitzicht op een prachtig klooster uit 1660. ‘s Ochtends vroeg worden we wakker door zingende vissers en verder is er alleen het geluid van de vogels. Sao Francisco bestaat maar uit een paar straatjes, een telefoon op het pleintje, onder een grote boom. Als de telefoon gaat, neemt degene die ‘m hoort op en waarschuwt de dorpeling voor wie gebeld wordt. Nog eens wat anders dan onze wereld met mobieltjes! De huisjes zijn erg klein, maar in vrolijke kleuren geverfd. Ook het plaatsje is erg klein, maar overal zijn barretjes en kleine ‘Mercadinho’s“. Volgens ons werkt het hier zo: als je een koelkast hebt, er wat flessen bier in legt en 2 plastic stoeltjes buitenzet, dan heb je een bar. Het is echt erg leuk. Als we op het pleintje zitten, laat iemand ons een boek zien over het klooster. We vragen of we het kunnen bezoeken, want het hek is dicht. Hij kent iemand die de sleutel heeft en als we de volgende dag om 4 uur bij het klooster wachten, zal hij zorgen dat we erin kunnen. Zo gezegd, zo gedaan. Maar de volgende dag is er niemand. We wachten drie kwartier en lopen dan naar het pleintje. Daar zitten 2 mannen, gezellig aan het bier, en 1 van hen zegt dat hij de sleutel heeft. We gaan erbij zitten, bestellen een biertje en schenken wat uit, zoals hier gebruikelijk is. Hij vertelt dat hij vrachtvaarder op een Faleiro is en hoofdzakelijk bouwmateriaal vervoert, destijds ook voor de restauratie van het klooster, en daarom de sleutel heeft. Ze blijven praten, over de komende WK, politiek en van alles en nog wat. De bakker, waar we een paar keer brood kochten, komt even langs en zegt gedag. En het bier blijft komen. Schaaltjes met worst, sardientjes met uien; we ‘ moeten’ van alles proeven. Geweldig leuk. Ondertussen was het al donker geworden, dus ging het hele kloosterbezoek niet meer door, maar dit was wel zo gezellig!
De volgende ochtend komt er een visser langs en biedt garnalen te koop aan. Het ‘ kiloprobleem’ komt weer opzetten, dus uiteindelijk kopen we de hele emmer die hij heeft. Heerlijke, grote garnalen. Maar erg veel! De dag erna eten we ze zelfs nog als ontbijt!
(klik op de foto om te vergroten)
Vandaag, 17 maart 2006, bevinden we ons in Itaparica. Erg mooi, erg gezellig, maar daar schrijven we de volgende keer over!